Op deze plek vertellen we verhalen bij bijzondere collectiestukken.
Regelmatig verschijnen hier nieuwe verhalen.

Aquamanile

Aquamaniles zijn typisch voor de middeleeuwen en hebben meestal de vorm van fabeldieren of adellijke verschijningen, zoals draken, leeuwen, paarden of ridders-te-paard. Ze werden door rijke mensen gebruikt om de handen te wassen voor en na de maaltijd (als je niet consequent je eten met een vork naar je mond brengt, moet je naderhand ook je handen wassen…). Priesters gebruikten aquamaniles om de handen te wassen voorafgaand aan het Heilig Avondmaal.

Dit tamelijk vroege exemplaar is sober bewerkt en heeft de meest voorkomende vorm: de leeuw. Als koning van de dieren is de leeuw een symbool voor macht en aanzien.

Portret van Ymck van Paffenrode

Ymck heet eigenlijk Ammerentia, maar die naam is in de loop van de eeuwen in onbruik geraakt. Daarom hebben sommige onderzoekers Ymck voor een jongen aangezien. Dat ze wel degelijk een meisje is kunnen we zien aan de waaier, een echt vrouwelijk attribuut. Haar kostuum is rijk versierd. Op haar rok zien we zelfs tulpen. Dat is interessant, want precies in 1634, het jaar waarin de achtjarige Ymck wordt geportretteerd, begint de populariteit van de tulp aan haar opmars in de Nederlanden, eindigend in een windhandel in tulpenbollen. De tulp duikt op in kunst en kleding. Mogelijk wil de familie Van Paffenrode met deze kostbare kinderkleding laten zien goed op de hoogte te zijn van de laatste modetrends.

Musketier

Deze elegante meneer lijkt met zijn poezelige handen haast wel een luit te bespelen, maar in plaats daarvan is hij bezig zijn moderne wapentuig te laden. Hij is musketier, soldaat met een musket, de voorloper van het geweer. Dat is hard werken: hij giet eerst kruit in de ‘kruitpan’ uit de kruitzakjes die aan zijn gordel hangen, dan duwt hij het kruit met de laadstok aan, daarna houdt hij er een brandende lont bij en dan legt de musketier het zware wapen in een fourquet (een lange vork die in de grond wordt geprikt) en kan hij eindelijk schieten. Hij sleept vork, kruit en musket constant met zich mee, en ’s avonds moet hij zijn eigen loden kogels gieten met zijn kogelgiettang.

Jacob de Gheyn heeft het in 1608 prachtig getekend, de werkelijkheid was ongetwijfeld minder verfijnd.

 

Rijgnaald met oorlepeltje van Fedt van Goslinga

De Romeinen hebben al oorlepels: het wroeten met een piepklein lepeltje in het oor is bij hen een normaal onderdeel van de persoonlijke hygiëne. Vikingen, ridders, en ook Nederlanders tot in de twintigste eeuw gebruiken oorlepels. De combinatie met een naald komt vaak voor. Archeologen vinden naald-oorlepels vaak op plekken waar ook vingerhoeden gevonden worden: de voormalige werkplaats van de kleermaker. Dat is heel praktisch: met een enkele handeling kan het oorsmeer direct worden gebruikt om de naald door sommige stugge stoffen te jassen.

Deze gouden oorlepel is natuurlijk niet van een kleermaker geweest. Fedt van Goslinga is een voorname vrouw die dit mooie dingetje misschien samen met een pincet, haarnaald of een sleutel in een buideltje aan haar gordel draagt.