(20ste jaargang, nr.6, november/december 2014)
Klik op de afbeelding voor het complete digitale nummer (pdf bestand)

Bij het begin van de ontdekkingsreizen van Nederlanders, eind 16de eeuw, was al snel duidelijk welke duizelingwekkende winsten behaald konden worden met producten die Azië wel voortbracht en die wij, met name op tafel, node misten. Maar de tocht naar de Oost was lang en gevaarlijk. Toen iedereen ervan overtuigd was dat de aarde inderdaad rond moest zijn, bedachten slimmeriken dat je veel sneller langs de noordroute kon dan helemaal om Kaap de Goede Hoop. Het hele land was al snel in de ban van deze zogeheten Noordpassage. Maar enkele dure proeven later bleek dit pad onbegaanbaar, want teveel ijs. Toch haalden de pioniers profijt uit hun gevaarlijke zoektocht.

Bij Nova Zembla wemelde het namelijk van de walvissen, die zich betrekkelijk makkelijk lieten vangen. Walvissen zitten vol traanhoudend spek, waarmee de grote behoefte aan olie in de Gouden Eeuw kon worden gestild. Ook de baleinen (wandelstokken, corsetten) en botten (krabpalen voor koeien) waren bruikbaar. Onder druk van Engelse concurrenten kwam het 400 jaar geleden tot een Nederlands kartel voor de vangst van walvissen en de verkoop van de eindproducten: de Noordsche Compagnie, à la de VOC bestaande uit Kamers, waarbij na verloop van tijd ook de Kamers Harlingen en Staveren toetraden. De walvisvaart glorieerde en ook uit Workum, Molkwerum, Makkum en Hindeloopen werden schepen uitgereed. Toen de vissers steeds verder van huis moesten voor de vangst, verschoof de verwerking deels naar de thuisbasis en werd onder meer Staveren verrijkt met traankokerijen die een ondraaglijke stank verspreidden. Het was een gevaarlijke vorm van visserij, dat bewijzen de verhalen van Hidde Dirks Kat van Ameland en vader en zoon Klaas en Sytse Hoekstra van Harlingen.

Deze Fryslân biedt een ongebruikelijke variëteit aan artikelen: de wat anonieme maar taaie ‘Friese Beweger’ Durk Okma, waarom Zoutepoel bij Heerezijl zo heet, een opvallende ‘Friese Zeelanden’-penning, een uitvoerig stuk over de enorme populariteit van vrouwenhardschaatsen in 19de-eeuws Friesland en een beschouwing over de verspreiding van voorbeeldprenten waarmee bijvoorbeeld zilversmeden hun kunsten uitwerkten.