(21ste jaargang, nr.1, januari/februari 2015)
Klik op de afbeelding voor het complete digitale nummer (pdf bestand)

Hendrik Straat: om de zoveel jaar staat hij weer eventjes in de belangstelling en het is onveranderlijk omdat hij de chirurg was die in 1954 de Siamese tweeling Tjitske en Folkje uit Mûnein succesvol scheidde. De operatiekamer was vol met filmmakers en heet vanwege hun lampen. Dat was nog het lastigste van de ingreep, zo vertelde de dokter de massaal toegestroomde pers. Straat bleef er onbewogen onder. Hij hield afstand en bleef deftig en formalistisch, wellicht een instrument om afstand te houden tot zijn patiënten.

Heel anders was zijn kunstzinnige kant, die in deze Fryslân wordt belicht. Hier toonde de zoon van een Groninger banketbakker, die nog een tijdje huisarts in Ternaard was voordat hij naar het Leeuwarder Diaconessenhuis verkaste, zich een gepassioneerd kunstverzamelaar, die zijn statige huis aan de Spanjaardslaan volstopte met moderne kunst. Uit liefde voor het creatieve, maar ook om de kunstenaars te steunen.
De Groninger conservator Egge Knol verhaalt deze maand over het zogeheten Friese terpenpaard dat een nieuw onderkomen vond in het Landbouwmuseum in Earnewâld. Ruud Spruit beëindigt zijn serie over schatten van stinsen met het Martenahuis, inhoudelijk uiteraard niet ver van Marjan Brouwers relaas in dit nummer over de portretten van adellijke kinderen. En: altijd al willen weten wat een ‘zwaardschedepuntbeschermer’ is? Nelleke IJssennagger legt het uit, ze moest ervoor naar Engeland. Philippus Breuker geeft met zijn boek Opkomst en bloei van het Friese nationalisme de discussie over de oorsprong en diepgang van Fries cultuurnationalisme een nieuwe slinger, Symen Schoustra bespreekt zijn studie.