In de 180 jaar van zijn bestaan is het Fries Genootschap uitgegroeid van een besloten deftig genootschap tot een open vereniging met leden uit alle lagen van de bevolking. Maar de doelstellingen van het Genootschap zijn in de tussentijd niet wezenlijk veranderd.

Freerk FonteinHet „Provinciaal Friesch Genootschap ter Beoefening van Friesche Geschied-, Oudheid- en Taalkunde” werd in 1827 opgericht door Franciscus Binkes, Hendrik Amersfoordt en Freerk Fontein (foto rechts), drie heren uit de grote burgerij. Het Genootschap zou zich bezig houden met de bestudering van de Friese cultuur in al zijn aspecten. „Werkende leden” hielden zich in afzonderlijke afdelingen bezig met de taalkunde, de oudheidkunde, de geschiedenis en de contemporaine toestand van de provincie. Vanaf 1839 liet het Genootschap bovendien De Vrije Fries verschijnen, inmiddels een van de oudste nog verschijnende tijdschriften in Nederland.

De leden waren in de begintijd vooral afkomstig uit de Friese steden, hadden vaak gestudeerd en waren doorgaans van adellijke of patricische komaf. Onder hen waren een aantal rijke verzamelaars die het Genootschap begunstigden met grote legaten. De verzameling kunstvoorwerpen die zo werd opgebouwd, vormde de aanzet voor de Grote Historische Tentoonstelling die in 1877 door het Genootschap georganiseerd werd. Deze tentoonstelling werd door tienduizenden bezocht. Een daverend succes, ook in financiëel opzicht. Met de opbrengsten kon het Eysinga-huis aangeschaft worden, waar in 1881 het Fries Museum werd ondergebracht. Vooral de daar aanwezige Hindelooper stijlkamer (foto links) werd door recensenten hogelijk geprezen.

Als eigenaar van het Fries Museum en uitgever van De Vrije Fries was het Fries Genootschap tot ver in de twintigste eeuw de belangrijkste wetenschappelijke instelling in de provincie. Bovendien produceerden de (onbezoldigde) „werkende leden” tal van belangrijke studies, waarvan vele onder auspiciën van het Genootschap werden uitgegeven. Door de voortschrijdende professionalisering van de geschied- en cultuurwetenschappen kwam hier echter langzaam verandering in. Zo kwam de in 1938 opgerichte Fryske Akademy als een professionele instelling naast het Genootschap te opereren. En hoewel er van enige competitie tussen beide instellingen natuurlijk wel eens sprake is geweest, kwam het vrij snel tot samenwerking. Zo wordt De Vrije Fries vanaf deel 42 (1955) in samenwerking met de Fryske Akademy uitgegeven.

Ook de professionalisering in de museumwereld had gevolgen. Het Fries Museum werd in 1970 ondergebracht in een aparte stichting. Onder meer omdat het Genootschap de explosief stijgende loonkosten niet meer kon betalen. Het was overigens niet de enige verandering die zich rond 1970 bij het Genootschap voordeed. Ongeveer tegelijkertijd werden de statuten naar de eisen van de tijd bijgesteld en werd De Vrije Fries van een vlottere opmaak voorzien. Bovendien werd vanaf 1969 het luchtiger Fries Museum Bulletin uitgegeven. Het waren belangrijke stappen in een ontwikkeling die zich sinds de Tweede Wereldoorlog gestaag voltrekt: de omvorming van het Genootschap van een vrij gesloten naar een open vereniging. Een vereniging die zich niet alleen richt op de onderzoeker maar ook op de gewone belangstellende.

In de afgelopen 40 jaar heeft de modernisering van het Genootschap zich verder doorgezet. Zo volgde het publiekstijdschrift Fryslân in 1995 het Fries Museum Bulletin op en sinds 2002 beheert het Genootschap deze website. In het laatstgenoemde jaar, een jubileumjaar, kreeg het Genootschap ook een nieuwe naam. Bovendien verleende koningin Beatrix het Genootschap het predicaat 'Koninklijk'. De officiële naam luidt nu 'Koninklijk Fries Genootschap voor Geschiedenis en Cultuur / Keninklik Frysk Genoatskip foar Skiednis en Kultuer'. Niet alleen is de naam juister, de tweetalige benaming doet ook meer recht aan het karakter van de provincie, waarin het Genootschap is gevestigd.